Hanne · Leuven
Noor heeft gevraagd waarom ik altijd moe ben. Ik heb gezegd dat ik dat niet ben.
· 2 min leestijd
Het was zaterdagochtend. Wouter was al op, Fien lag nog te slapen, en Noor zat aan de keukentafel met haar ontbijtgranen en keek naar mij zoals kinderen soms kijken, te lang en te recht. Ze vroeg: "Mama, waarom ben jij altijd moe?" Ik zei dat ik niet moe was. Ze knikte, alsof ze dat al had verwacht.
Ik ben 39. Ik plan magazijnen. Ik plan vakanties die er nog niet zijn. Ik plan de week op zondag, en op vrijdag bedenk ik wat er maandag fout zal gaan. Wouter doet zijn best, dat doe ik echt niet af, maar het hoofd dat alles bijhoudt is het mijne. Welke juf jarig is. Hoeveel witte boterhammen er nog zijn. Of Fien haar groene broek in de was zit of in de kast. Dat soort dingen verdwijnt niet als je op de zetel gaat zitten. Die komen gewoon mee.
Ik had tegen Noor kunnen zeggen: ik ben moe omdat ik veel doe en dat normaal is en dat ze later zal begrijpen hoe het werkt. Maar dat voelde als iets zeggen dat niet klopt. Dus ik zei dat ik niet moe was, en ik meende het half, en ze at verder haar ontbijtgranen en vroeg daarna of ze een vriendinnetje mocht bellen. Het leven gaat gewoon door, ook als iemand net een goede vraag heeft gesteld.
Het is nu zondag. Ik heb de was gedaan, twee mails beantwoord die echt niet konden wachten, en Fien haar haar gevlochten voor de derde keer omdat de eerste twee keer niet goed genoeg waren. Wouter heeft gekookt, dat moet ik zeggen, en het was lekker. Noor heeft mij vanavond een tekening gegeven van ons gezin. Ik sta in het midden. Ik heb een grote mond, wat bij haar betekent dat ik aan het lachen ben.
Misschien ben ik niet moe. Misschien ben ik gewoon nooit gestopt. Dat is niet hetzelfde, maar het scheelt ook niet veel. Morgen de was vouwen.